Nederlandse Vereniging voor
informatietechnologie en Recht
Netherlands Association for Information Technology and Law
telcomstellingen

Stellingen (en toelichting) zoals besproken tijdens de voorjaarsvergadering van 16 juni 1999 over de Telecommunicatiewet


    De hiernavolgende waren destijds bedoeld de discussie tijdens de vergadering op gang te brengen. Ze vertegenwoordigen niet noodzakelijkerwijs de persoonlijke meningen van de studiecommissieleden.

    1.Overheidsregelgeving specifiek met betrekking tot convergentie is vooralsnog onwenselijk. Noch de verschillende industrieën noch de consumenten zijn gebaat bij regelgeving die convergentie aan banden legt of daaraan voorwaarden verbindt. Evenmin hebben de verschillende industrieën behoefte aan een overheid die voorwaarden schept, anders dan ten aanzien van onderwerpen waarvoor reeds regelgeving bestaat.

    2.Convergentie in de praktijk betekent nog geen convergentie van regelgeving. De overheid moet niet proberen één regelgevend kader te scheppen voor convergerende netwerken. Bezien moet worden of de bestaande regels de industrieën voldoende vrijheid laten en consumenten voldoende beschermen.

    3.De Telecommunicatiewet 1998 (Tw) is evenwel onvoldoende ingesteld op convergentie van alle bestaande en nog te ontstane netwerken en diensten, nu deze wet uitsluitend toeziet op telecommunicatienetwerken en -diensten en de definiëring daarvan in artikel 1 Tw te eng is. De Tw bestrijkt op dit moment te weinig soorten netwerken en is daarmee technologie afhankelijk.

    4.Het registratiesysteem in de Tw is een te ver doorgeschoten vorm van liberalisering. In vergelijking met andere EU Lidstaten heeft de Nederlandse overheid een te lage drempel gesteld op de voorwaarden voor het verstrekken van een registratie (artikel 2.2 Tw). Hierdoor wordt de markt onoverzichtelijk.

    5.Artikel 6 Tw (interconnectie en bijzondere toegang) biedt aan de in stelling 1 genoemde partijen voldoende / onvoldoende zekerheid om convergentie van netwerken te bewerkstelligen tegen redelijke, transparante en non-discriminatoire voorwaarden.

    6.De Mediawet is voldoende / onvoldoende ingesteld op de convergentie van programma aanbod met andere diensten die via omroepnetwerken hun weg naar de consument of andersoortige gebruiker kunnen vinden.

    7.Het Voorstel voor een EG-Richtlijn Electronic Commerce biedt geen aanknopingspunten voor nadere regelgeving om convergentie van netwerken en diensten te waarborgen.

    8.Slechts in geval van schaarsteproblemen dient de overheid zich te bemoeien met het verdelen van de verschillende communicatie 'nummers', daaronder begrepen verschillende soorten telefoon, data- en IP-nummers, die beschikbaar zijn voor convergerende netwerken en diensten.

    9.Er bestaat in Nederland geen behoefte aan gelijkwaardige toegang tot verschillende telecommunicatie- en omroepnetwerken en dienstenaanbieders. De consument is goed in staat zelf een keuze te maken. Automatische selectie van de dominante aanbieder levert geen automatisch voordeel voor deze aanbieder op.

    10.Er bestaat geen behoefte aan een nieuw systeem waarbij één toezichthoudend orgaan op verschillende terreinen het toezicht zou verzorgen. Er bestaat slechts noodzaak aan de coördinatie tussen de verschillende bestaande toezichthouders.

    11. Er is behoefte aan uitbreiding van de gedoogplicht tot opstallen en telecommunicatieinrichtingen ten behoeve van openbare vaste en mobiele communicatie.



    Toelichting

    In verband met de ontwikkelingen op de mobiele telecommunicatiemarkt kan worden geconstateerd dat het consumentengedrag dusdanig aan het wijzigen is dat kan worden gesproken van mobiele communicatie als gemeen goed. Nu reeds gebruikt meer dan 25% van de totale Nederlandse bevolking een (digitale) mobiele telefoon. Het is waarschijnlijk dat voor het eind van het millennium meer dan de helft van de Nederlandse bevolking gebruik zal maken van mobiele communicatie. Daarnaast zal mede door convergentie van infrastructuren de integratie van mobiele en vaste diensten en infrastructuren, het onderscheid tussen ethertransport en grondgebonden vaste infrastructuur geen relevantie meer hebben in het onderscheid tussen het leveren van spraakdiensten en andere telecommunicatie en mediadiensten. Ook de ontwikkelingen op diensten en randapparatuurniveau zullen steeds minder onderscheid maken tussen het vaste en mobiele segment (personal numbers, UMTS). In algemene zin zijn er geen gronden meer een onderscheid in regelgeving te hanteren ten aanzien van de vorm van infrastructuur die wordt gebruikt. De gedoogplicht en daarmede samenhangende graafrechten, hebben als achtergrond dat (vaste) spraaktelefonie wordt beschouwd als nutsfunctie. Daartoe moeten aanbieders in staat worden gesteld om de voor die telecommunicatie noodzakelijke infrastructuren zonder belemmeringen aan te kunnen leggen, zij het in overleg met de betrokken overheidsinstanties, in verband met aspecten van ruimtelijke ordening. Nu telecommunicatie steeds meer als het geheel van samenhangende communicatietechnieken zal worden beschouwd, is het wat de gedoogplicht betreft niet zinnig om dit onderscheid tussen vast en mobiel te handhaven omdat de mobiele telecommunicatieexploitanten evenzeer instaat moeten zijn om hun infrastructurele voorzieningen te instaleren. Totnogtoe leek dit niet zo veel problemen op te leveren maar ten gevolge van de groei van de makt en de intrede van nieuwe aanbieders op de mobiele markt ontstaat er schaarste aan locaties. Vooral voor de nieuwe aanbieders voor GSM 1800 blijkt dat praktische, procedurele en financiële belemmeringen ontstaan voor de bouw van basisstations(sites) zodat de uitbouw van het netwerk wordt belemmerd. Daarom is het noodzakelijk om de gedoogplicht eveneens van toepassing te doen zijn op de telecommunicatieinrichtingen ten behoeve van mobiele telecommunicatie. Daarnaast zou deze gedoogplicht uitgebreid moeten worden tot alle installaties en inrichtingen ten behoeve van andere vormen van openbare telecommunicatie, gezien het toenemende economische en sociale belang van de telecommunicatie in Nederland. Daartoe zal de gedoogplicht worden uitgebreid tot die opstallen en inrichtingen die noodzakelijk zijn voor het tot stand brengen van etherverbindingen voor het vaste of mobiele net.